donderdag 26 januari 2017

Reizen naar Panama, de moeite of niet?

Panama City, bekend vanwege haar vele banken en indrukwekkende skyline, is opvallend rustig. Het ziet er allemaal grotesk uit, maar ik kon de gedachte niet ontduiken dat het een saaie stad is. Het mist eigen cultuur. De snikhete stad heeft jammer genoeg ook geen strand om te zwemmen.



De Amerikanen hebben een stevige voetafdruk nagelaten in Panama. Ze financierden de bouw van het Panamakanaal. Na een pact in 1999 kwam het beheer terug volledig in handen van de Panamezen. Vandaag is de USD het meest courante betaalmiddel, Amerikaanse producten, fastfoodketens en retailers zijn overal aanwezig.



Het kanaal is een goudmijn. Grote schepen betalen een aardige 700.000 à 1.000.000 dollar per doorvaart, dagelijks passeren er 30 à 40 mastodonten. Wie geen doorvaart wil betalen kan containers via de spoorlijn naast het kanaal laten vervoeren. Dankzij deze bron van inkomsten heeft Panama een moderne infrastructuur.

De strategische ligging tussen de 2 Amerika’s en de passage via het kanaal brengt ook voordelen mee voor internationale distributie, waardoor vele internationale bedrijven een (hoofd)zetel in Panama hebben. Daarbij heeft de overheid een ondernemingsvriendelijk klimaat gecreëerd om buitenlandse bedrijven aan te trekken.

De Panamezen zijn vriendelijk, maar kouder dan bvb. Mexicanen, Brazilianen of Colombianen. Het was het eerste Latijns-Amerikaans land waar ik geen “Latin American feel” had.  

De Panamezen zijn een mix vaan inheemsen, Afrikanen en Europeanen. Ongeveer 30 % is obees, een gevolg van de hoofdzakelijk vette en suikerrijke voeding in de restaurantketens en winkelrekken.


% personen met obesitas

Veel Colombianen en Venezolanen werken in Panama om dollars te verdienen. Vergeleken met Colombia is Panama duur, dat merkte ik in mijn uitgaven aan taxi's. Men gebruikt geen meter. Als toerist kan je heel wat besparen met Uber.

Wat me opviel is dat taxi’s in Panama de gewoonte hebben iemand mee te nemen terwijl ze nog een passagier hebben, om opeenvolgend klanten te hebben.

Wat betreft toeristische bezienswaardigheden kan ik niet zo veel zeggen omdat ik voor mijn werk reisde, maar ik heb begrepen dat er drie plekken zijn die je moet bezoeken: 

1. Panama City 
2. Boquete 
3. Bocas del Toro

De twee grootste attracties in Panama City zijn het kanaalmuseum en Casco Viejo, het oude stadsgedeelte. In het kanaalmuseum zie je de sluizen aan het werk en kan je een virtuele reis door het kanaal maken. De kanaalroute loopt voor een groot deel door het meer Gatún, dat 26 m boven het zeeniveau ligt. De sluizen dienen om het hoogteverschil te overbruggen.



Doorheen de Landengte van Panama loopt één autostrade. Vanuit Panama City tot David - de hoofdstad van Chiriqui - is het 8 uur rijden met een bus. Chiriqui is de regio waar het meeste gecultiveerd wordt. In David valt er weinig te beleven.

Boquete ligt wat hoger in de bergen. Het is er wat frisser en biedt vele mooie wandelmogelijkheden. O.a. kan je er de vulkaan Baru beklimmen, met 3474 m de hoogste berg van Panama. Bij helder weer zie je vanop de top de Caribische Zee en de Stille Oceaan. Andere mooie wandelingen zijn Los Quetzales en De 3 Verborgen Watervallen.


 Baru Vulkaan

Bloemenfestival in Boquete


Natuur in omgeving van Boquete


Bocas del Toro is een paradijselijk archipel met azuurblauw water en hagelwitte stranden, maar dat heb ik niet bezocht.

Verder heb ik ook gehoord dat je kan surfen op Playa Santa Catalina, Playa La Barquete en Playa Venao. De beste plek is Playa Santa Catalina.

12 dagen was ik in Panama. Hoewel ik er van overtuigd ben dat Panama veel moois te bieden heeft dat ik niet gezien heb, voel ik me niet geneigd om terug te keren. Ik heb de sfeer opgesnoven, en het land heeft me niet aangesproken. Er zijn interessantere landen in Latijns-Amerika.

dinsdag 3 januari 2017

Hoe het komt dat een grootstad op nieuwjaar leegloopt

Nieuwjaar vierde ik reeds in Rio de Janeiro, Gran Canaria en Mexico. Daarvan was Rio zonder twijfel het spectaculairst. Rondom het strand Copacabana lagen vele boten in het water vanwaar men vuurwerk schoot. Dit event trekt jaarlijks miljoenen toeschouwers aan.

Nieuwjaar in Rio de Janeiro

Bogota zou met ruim 8 miljoen inwoners de grootste stad worden waar ik tot nu toe nieuwjaar gevierd had. Ik beeldde me in dat de staten gevuld zouden worden met feestende mensenmassa's.

Nu is het zo dat de meeste Colombianen vakantie nemen van eind december tot begin januari. Een aanzienlijk percentage van de Bogotanen trekt dan op vakantie naar Tierra Caliente (warmere delen) of gaat familie bezoeken in andere departementen. Veel inwoners van Bogota zijn immers werkmigranten uit andere delen van Colombia.

Net voor kerstmis begint de massale exodus. Op zo’n moment wil je absoluut de uitvalswegen van Bogota vermijden.

Ik wist dat het minder druk zou zijn, maar op nieuwjaar was Bogota onwaarschijnlijk leeg. Tot mijn grote verbazing waren veruit alle bars & restaurants in het centrum en in Zona T gesloten. Enkel de grote discotheken waren open en daar was het dan wél vol tot in de late uurtjes.

Eigenlijk best wel aangenaam. Ongezien rustig en betere luchtkwaliteit. Je kan eens rustig diep ademhalen in de stad.

Ken jij nog grootsteden die op nieuwjaar leeglopen? Of is dit een uniek fenomeen?

zaterdag 12 november 2016

Op eigen houtje reizen naar Cerros de Mavecure, Colombia

De heuvels van Mavecure liggen in Guainía, het land van de vele wateren.


Zonder twijfel de meest afgelegen regio waar ik ooit geweest ben. Puerto Inírida, de hoofdstad van het departement Guainía, is alleen per vliegtuig of een lange reis via rivieren bereikbaar. De regio is niet verbonden met het nationale elektriciteitsnet. Stroom wordt hier met brandstof opgewekt.


De regio is geïsoleerd van de rest van het land door een brede strook jungle. Na landing moeten alle passagiers een vaccinatiekaart van gele koorts tonen.

Op de luchthaven staat Fernando, de man die ik gecontacteerd had, ons op te wachten. 

Het plan is om op 5 dagen eerst zuidwaarts de Río Inírida af te varen tot Cerros de Mavecure, en vervolgens terug noordwaarts te gaan tot de Río Orinoco.


Na lang onderhandelen spreken we een prijs af van 1.500.000 COP (inclusief boot, brandstof, persoonlijke gids en overnachting in inheemse gemeenschappen). 

Door zelf eten te kopen, konden we de prijs aanzienlijk verminderen. Initieel vroeg hij 2.400.000 COP. We kopen voornamelijk rijst, bonen, pasta, croissants gevuld met guave en véél water. 

Brandstof voor de motorboot is vrij duur. Je kan voorstellen om die zelf te betalen aan de pomp, want daarmee durft men wel foefelen in de prijsberekening.

Onze eerste nacht zullen we doorbrengen in El Remanso, een gemeenschap vlakbij de heuvels van Mavecure. Het is 2 a 3 uur varen tot Mavecure. Rond half 6 wordt het donker. Net voor we aankomen valt de nacht, wat prachtige beelden oplevert.





Omdat er vaak geen stroom is, volgen de mensen het ritme van de zon. Dat wil zeggen om 5 uur 's morgens opstaan en rond 8-9 uur gaan slapen. Wanneer we aan tafel zitten met kaarslicht, merkt één van mannen plots een giftige hagedis onder het dak op. Met een stok met drie pieken doodt hij het diertje.


's Nachts aanschouw je hier overigens een indrukwekkende sterrenhemel.

Om de hitte te vermijden, varen we in de vroege ochtend naar de Cerros de Mavecure. 




Langs de rivier liggen drie heuvels. Slechts één ervan kan je beklimmen, de andere zijn te steil. De klim duurt een klein uurtje, met af en toe ladders om steile stukken te overbruggen. 



Vanop de top zie je in de verste uithoeken alleen maar groen, en heb je een mooier uitzicht op de Cerro Mono (links) en de Cerro Pajarito (rechts).



Niet ver van de heuvels ligt Caño San Joaquín, een plaats om te zwemmen. 

Caño San Joaquín


Vanuit el Remanso vertrekken er ook paden naar Cerro del Diablo en de savanne waar de rood-witte Inírida bloem groeit.


Flor de Inirida

El Remanso

Onze gids, Oilver, vertelt dat hij ooit verder stroomopwaarts per toeval een coca-laboratorium had ontdekt. Ook kruiste hij eens guerrillastrijders op de rivier, en werd verplicht de helft van zijn goederen af te staan de guerrilleros. In dit gebied is overheidscontrole nihil. 

Als toerist moet je je echter geen zorgen maken zolang je in de buurt blijft van de “toeristische” attracties. Ik schrijf toeristische tussen aanhalingstekens, omdat we eigenlijk geen andere toeristen zijn tegengekomen gedurende onze hele reis.

De volgende ochtend varen we terug noordwaarts om te overnachten in de inheemse gemeenschap La Ceiba, waar we zullen verblijven in het huis van Oilver. Onderweg worden we gepakt door een genadeloze regenbui en komen doorweekt aan. Daarom is het aangeraden om al je kleren, documenten en elektronica in aparte plastieken zakjes te verpakken.


Vanuit La Ceiba trekken we met Oilver en zijn gezin de jungle in, om vruchten te zoeken. 


Oilver is een encyclopedie van de jungle. Hij leert ons over de mogelijke gevaren, technieken om water te zoeken en de medicinale werking van diverse planten. 

Na een tijdje wandelen vindt hij een boom. Na de boom te reinigen met zijn machete en een stok klimt hij behendig via de gladde stam naar boven om de vruchten te plukken, waarvan we later die avond het sap zullen drinken dat naar yoghurt smaakt.







Later die namiddag leer ik in een prauw varen – een evenwichtsoefening - en zien we voor de eerste keer rivierdolfijnen. 

La Ceiba is de mooiste plek waar we sliepen. Het krioelt er van de vogels.






Die nacht word ik wakker gehouden door piepende en flapperende vleermuisjes die zich in de nok van het dak gevestigd hebben. Gelukkig bijten deze geen mensen. Oilver zegt dat hij wel al eens wakker was geworden met een beet ik zijn nek van een groter type uit de jungle.

’s Morgens varen we terug richtig Puerto Inírida. Onderweg stoppen we in Caño Bocon. Op deze plek spotten we veel rivierdolfijnen, maar ze zijn erg moeilijk te fotograferen.

Caño Bocon

In Inírida kopen we opnieuw een voorraad brandstof en voedsel, en varen meteen door naar de Río Orinoco. De zwarte Río Inírida mondt uit in de koffie-met-melk-kleurige Río Guaviare, die vervolgens weer uitmondt in de Río Orinoco.

Vanuit onze accommodatie aan de Colombia-oever steken we over naar de lokale gemeenschap Primavera. Hier kan je zonder paspoort en registratie Venezolaans grondgebied betreden!

Venezuela



In Primavera maken we met lokale gidsen een wandeling naar de vleermuizengrot. We zien ook een harige spin. Hij vindt zich wel iets te stoer, met zijn ongeschoren armen.





De grotten geven ons heerlijke verkoeling. Daarna wandelen we verder tot een ander dorp. 



Het leven lijkt me hier hard. De gemeenschappen leven niet volledig op traditionele wijze, maar wel erg afgezonderd van de buitenwereld. Hun dieet bestaat grotendeels uit gevangen vis en geplukte vruchten.

In de late namiddag varen we naar een verlaten school aan de Río Atabapo, om nog eens te genieten van het verfrissende water.




Ook hier wederom prachtige kleuren in de hemel en het weerspiegelende wateroppervlak.



Zonsondergang, Río Guaviare



Zonsopgang, Río Orinico


De volgende ochtend varen we terug naar Puerto Inírida. 

Omdat we nog wat tijd over hadden gingen we nog even zwemmen in Caño Bonito, op 10 minuten rijden van het centrum.


Caño Bonito

Deze reis is een absolute aanrader! Via reisbureaus kan je groepsreizen boeken, maar dan heb je minder vrijheid en moet je voortdurend wachten op anderen. 

Een private bootreis kan je regelen via Fernando (GSM: 311 211 93 64) of Emilio (GSM: 320 243 15 58), en vraag naar de gids Oilver, een zeer aangename persoon die zelf in een inheemse gemeenschap is opgegroeid. 

Vermijd het natte seizoen, dat van april tot oktober loopt. Ten slotte zou ik opletten met het eten van vis. Door illegale mijnbouw kunnen vissen in bepaalde delen (vnl. Venezuela) een hoog kwikgehalte hebben. Kwik wordt gebruikt om goud te extraheren.